Doorwerken

Wie langer moet doorwerken, mag niet eerder worden afgeschreven

Door Mary Anne

Het verkorten van de WW, het versoberen van de WIA en het verder opschuiven van de AOW-leeftijd raken vooral mensen die hun werkzame leven bijna hebben voltooid — en dat is fundamenteel oneerlijk.

De roep om “activering” klinkt weer luid. Werklozen moeten sneller aan de slag, arbeidsongeschikten moeten worden geprikkeld om te werken, en wie ouder wordt, moet langer door. Op papier oogt dat daadkrachtig. In de praktijk ontstaat beleid dat vooral één ding doet: risico’s verplaatsen naar mensen die die risico’s het minst kunnen dragen.

Het voornemen om de WW te verkorten tot één jaar past in een lange reeks versoberingen. Steeds klinkt hetzelfde argument: langdurige uitkeringen zouden mensen passief maken. Wat daarbij structureel wordt genegeerd, is de realiteit van de arbeidsmarkt. Veel mensen die in de WW terechtkomen — zeker boven de vijftig — hebben niet één jaar, maar vaak twee jaar of langer nodig om weer werk te vinden. Niet omdat zij niet willen, maar omdat zij niet worden aangenomen.

Dat is geen incident, maar een patroon. Sollicitaties blijven onbeantwoord, afwijzingen worden niet toegelicht. En als er al een gesprek plaatsvindt, hangt het oordeel vaak onuitgesproken in de lucht: leeftijd is “een dingetje”.

Denk aan de 61-jarige productiemedewerker die na een reorganisatie zijn baan verliest. Hij solliciteert maandenlang, volgt verplichte trajecten, herschrijft zijn cv keer op keer. Vaak blijft het stil; soms komt er een gesprek, waarna alsnog wordt afgehaakt vanwege ‘het profiel’ of ‘de teamdynamiek’. Na een jaar is zijn WW voorbij. Werk is er niet, pensioenopbouw stopt, en de inkomensval is fors — terwijl hij zijn hele werkzame leven premie heeft betaald en de AOW-leeftijd steeds verder opschuift.

Wie niet werkloos maar arbeidsongeschikt raakt, komt niet in de WW maar in de WIA. Ook daar geldt een harde realiteit. Na afkeuring volgt eerst een loongerelateerde periode, maar na een jaar resteert voor velen slechts een vervolguitkering die een fractie van het minimumloon bedraagt. Hoe minder iemand arbeidsongeschikt is, hoe lager de uitkering; afhankelijk van het percentage arbeidsongeschiktheid varieert die van ongeveer 28 tot iets meer dan 50 procent van het minimumloon.

Dat betekent langdurig leven met een structureel tekort, vaak zonder realistisch uitzicht op herstel of terugkeer naar werk. Tegelijkertijd stopt de pensioenopbouw en lopen vaste lasten gewoon door. Wie samenwoont en nét boven een inkomensgrens uitkomt, valt bovendien buiten aanvullende regelingen. Het systeem gaat impliciet uit van opvang door partners, ongeacht hun eigen draagkracht of toekomst.

Daarbovenop schuift de AOW-leeftijd verder op, gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting. Dat klinkt neutraal, maar pakt in de praktijk zeer ongelijk uit. Voor mensen met zware beroepen betekent het vooral langer overbruggen met lagere inkomens. Zo ontstaat een kloof tussen mensen die kunnen doorwerken en mensen die noodgedwongen uitvallen.

Inkomensonzekerheid heeft aantoonbare gevolgen voor de gezondheid. Langdurige stress, uitstel van zorg en financiële zorgen leiden tot meer ziekte — terwijl tegelijkertijd het eigen risico wordt verhoogd. De stapeling is zichtbaar: minder inkomen, slechtere gezondheid, hogere kosten en uiteindelijk een grotere kans op vroegtijdige uitval.

Dit beleid wordt vaak verdedigd met verwijzingen naar misbruik en prikkels. Maar wie eerlijk kijkt, ziet dat het systeem vooral streng is voor mensen die geen kant op kunnen, terwijl risico’s voor werkgevers en overheid worden afgebouwd. Dat is geen activering, dat is afschuiven.

Dat vakbonden via cao’s private aanvullingen op de WW hebben geregeld voor miljoenen werknemers, laat zien dat het publieke stelsel wordt uitgehold. Sociale zekerheid wordt zo een lappendeken: beter geregeld voor wie geluk heeft, karig voor wie buiten de boot valt.

Een samenleving wordt niet beoordeeld op hoe zij omgaat met haar succesvolsten, maar op hoe zij mensen behandelt die pech hebben — door ziekte, leeftijd of economische veranderingen. Beleid dat mensen na veertig of vijftig jaar werken richting een armoedegat duwt, verdient niet het predicaat sociaal.

Wie langer moet doorwerken, mag niet eerder worden afgeschreven. En als onze kinderen straks moeten doorwerken tot hun 73ste, is het de vraag wat er dan nog over is van solidariteit — en van zekerheid — aan het einde van een werkend leven.

WordPress Lightbox