Vleesverkoop

Wanneer minder vlees verkopen niet per se duurzamer is

Door Mary Anne

Dat Nederlandse supermarkten hoog scoren op een Europese duurzaamheidsranglijst klinkt als goed nieuws. Minder uitstoot, meer plantaardige eiwitten, minder vleesverkoop – het lijkt een overtuigend verhaal van vooruitgang. Toch wringt er iets in de manier waarop dit succes wordt gemeten en gepresenteerd.

De ranglijst beloont supermarkten die erin slagen minder dierlijk eiwit te verkopen. Dat is op zichzelf begrijpelijk: vlees en zuivel hebben een relatief hoge klimaatimpact. Minder verkoop betekent in theorie minder uitstoot in de keten. Maar de cruciale vraag blijft onderbelicht: waarom wordt er minder vlees verkocht?

De afgelopen jaren is het vleesaanbod in veel supermarkten merkbaar veranderd. Producten zijn vaker sterk bewerkt, bevatten meer vocht en leveren bij bereiding niet altijd de kwaliteit die consumenten verwachten. Tegelijkertijd zijn de prijzen gestegen. Wanneer de kwaliteit daalt en het vertrouwen afneemt, reageren consumenten voorspelbaar: zij kopen minder of wijken uit naar andere verkooppunten, zoals slagers of speciaalzaken.

In de statistieken van de supermarkt telt dit als succes. De verkoop van dierlijk eiwit daalt en daarmee verbetert de duurzaamheidsscore. Maar een daling in verkoop binnen één keten zegt weinig over de totale consumptie of over de manier waarop vlees wordt geproduceerd. Wat uit de supermarkt verdwijnt, kan elders worden gekocht. De milieulast verschuift dan, maar vermindert niet noodzakelijk.

Hier ontstaat een ongemakkelijke spanning. Een ranglijst die uitsluitend kijkt naar reductiedoelen en verkoopverhoudingen kan geen onderscheid maken tussen bewuste gedragsverandering en kwaliteitsverlies dat consumenten wegduwt. Minder verkoop wordt automatisch gelijkgesteld aan meer duurzaamheid. Daarmee wordt een complexe werkelijkheid teruggebracht tot een cijfermatige uitkomst.

Dat is problematisch om twee redenen.

Ten eerste creëert het een perverse prikkel. Als lagere vleesverkoop leidt tot een hogere score, loont het om vlees minder aantrekkelijk te maken of om het aandeel daadwerkelijk dierlijk eiwit te verlagen via verdere bewerking. Zo kan de klimaatintensiteit per euro omzet dalen, zonder dat er fundamentele verbeteringen plaatsvinden in dierenwelzijn, landbouwpraktijk of totale productievolumes.

Ten tweede verschuift de focus van inhoud naar boekhouding. Duurzaamheid dreigt een administratieve categorie te worden, waarbij reducties binnen de eigen keten zwaarder wegen dan de werkelijke impact op productie en consumptie. Een supermarkt kan er op papier groener uitzien, terwijl de structurele problemen in de voedselketen grotendeels onaangeroerd blijven.

Dat betekent niet dat het stellen van doelen of het vergroten van transparantie onzinnig is. Integendeel, zulke initiatieven zijn noodzakelijk. Maar de gekozen meetlat bepaalt welk gedrag wordt beloond. Wanneer uitsluitend wordt gekeken naar minder verkoop van dierlijke eiwitten, zonder aandacht voor kwaliteit, herkomst en daadwerkelijke consumptievermindering, ontstaat een vertekend beeld van vooruitgang.

Een geloofwaardige eiwittransitie vraagt om meer dan dalende cijfers in een jaarverslag. Zij vergt aantrekkelijk plantaardig aanbod, aantoonbaar beter geproduceerd vlees en consumenten die bewust kiezen voor minder en beter. Dat vereist structurele veranderingen in productie en consumptie, niet alleen verschuivingen in verkoopstatistieken.

Zolang “minder vlees verkocht” automatisch gelijkstaat aan “duurzamer”, blijft de vraag onbeantwoord of de wereld er werkelijk beter van wordt. Een transitie die vooral zichtbaar is in rapportages, maar niet aantoonbaar in de keten, verdient geen applaus maar nadere toetsing.

Naar aanleiding van het artikel in Trouw (27 januari 2026): Drie Nederlandse supermarkten hoog op Europese duurzaamheidslijst. ‘Maar het gaat te traag’

 

WordPress Lightbox